Het profiel van bio-energie

Bio-energie – nuttige energie uit omzetting van organische grondstoffen – omvat een breed terrein waaronder groot- en kleinschalige elektriciteitsproductie, biogas en groen gas, duurzame warmte en transportbrandstof. De productie ervan geschiedt onder meer in elektriciteitscentrales, afvalverbrandingsinstallaties (AEC’s of AVI’s), industriële ketels, houtketels voor verwarming, kachels, warmtekrachtinstallaties (WKK’s) en vergisters.

Hoe nuttig is bio-energie?

Tien boodschappen over energie uit organische grondstoffen

1. Hebben we bio-energie nodig

Bio-energie is voor verschillende toepassingen broodnodig. Zonder een verdere toename van biomassaconversie is 16% duurzame energie in 2023 onhaalbaar. Naast de urgentie van de inzet van bio-energie om gestelde klimaatdoelstellingen tijdig te halen, heeft biomassa het voordeel opgeslagen te kunnen worden en op die manier de fluctuaties van zonne- en windenergie kan helpen compenseren. Bovendien biedt biomassa vooralsnog de enige mogelijkheid om lucht- en scheepvaart, zwaar vrachttransport en industriële proceswarmte te verduurzamen.

Scenario’s van vooraanstaande instituten, bijvoorbeeld het WWF/Ecofys Energy scenario 20101 en de rapporten van Irena en de International Energy Agency, concluderen dat de wereldenergievoorziening ook in 2050 voor een aanzienlijk deel uit bio-energie zal bestaan, naast andere schone vormen zoals energie uit wind, uit water, uit de bodem en uit zonlicht. In 2014 kwam ruim 70% van alle hernieuwbare energie in Nederland uit biomassa2:

Tabel: Hernieuwbare energie in NL in 2014, in PJ, volgens CBS
Waterkracht 0,4
Zonne-energie 3,9
Aardwarmte, bodem- en luchtenergie 6,5
Windenergie 21,0
Biomassa: 79,1
afvalverbranding 19,0
houtverbranding voor elektriciteit 8,6
houtverbranding voor warmte 25,9
biogas 10,5
biotransportbrandstoffen 15,1
TOTAAL hernieuwbaar 110,9
TOTAAL fossiel en hernieuwbaar 1980,0

Recente bio-energie initiatieven als de Bio Golden Raand voor duurzame elektriciteit, De Purmer voor duurzame warmte en de groei aan efficiënte houtketels en kachels bij mensen thuis, maar ook op industrieel niveau zoals de energieopwekking bij FrieslandCampina in Borculo, zijn goede voorbeelden van de nuttige en duurzame bijdrage die bio-energie kan leveren aan de klimaatdoelstellingen van Nederland.

1 wwf.panda.org
2 CBS: Hernieuwbare Energie in Nederland in 2014

2. De duurzaamheid van bio-energie

Biomassa is een verzamelnaam voor grondstoffen die van allerlei verschillende bronnen afkomstig zijn. Het overgrote deel van de gebruikte biomassa voor bio-energie komt van reststromen. Denk hierbij aan mest, afval, slib van rioolwaterzuiveringsinstallaties, stro en gebruikt frituurvet. Maar ook afval van groente, fruit, landbouwproducten en tuinonderhoud en reststromen van houtzagerijen zoals zaagsel. Ook zijn er reststromen uit bossen, zoals top- en takhout, te dunne, te kromme en gekapte zieke bomen. Boseigenaren zien dit als een nieuwe inkomstenbron ter bekostiging van het landschapsonderhoud en zetten het in ter stimulering van de schoonheid van het landschap. Het landgoed Twickel is hiervan een voorbeeld en de moeite van een bezoek waard.3

Hout is een heel belangrijke bron van energie – altijd geweest. Voor elke houtstroom zijn er geschikte verbrandingsketels. Hele bomen zijn echter alleen interessant en betaalbaar voor de bouw en de meubelindustrie4, om Nederlandse verwarmingsinstallaties of elektriciteitscentrales van brandstof te voorzien worden dus geen bossen gekapt.

Ruim de helft van de in ons land gebruikte houtige biomassa komt uit Nederland, vooral houtchips, pellets voor houtkachels en –ketels en afvalhout van zagerijen e.d. De belangrijkste brongebieden van houtpellets voor elektriciteitscentrales zijn op dit moment Canada en de VS. In beide landen is constructiehout het meest waardevolle product van de bosbouw en de vraag naar constructiehout bepaalt derhalve de kap. Het laagwaardiger hout (pulphout en reststromen) dat mee geoogst wordt (dunne, zieke of kromme bomen) en reststromen zoals top- en takhout, werd traditioneel gebruikt door de papierindustrie en voor de productie van spaanplaat en dergelijke. Ook werden reststromen van zagerijen hiervoor ingezet. Dit laagwaardiger hout wordt sinds enkele jaren ook voor de productie van bio-energie ingezet door het eerst tot pellets te persen.

Op dit moment worden, voor het deels vervangen van kolen in elektriciteitscentrales (‘bij- en meestook’), vooral houtpellets ingezet. Dit is een beperkt deel van alle biomassa die wordt gebruikt voor energie opwek: minder dan een tiende. In Nederland zijn, vooruitlopend op Europese richtlijnen, in het kader van het Energieakkoord in overleg tussen energiebedrijven, milieuorganisaties en overheid, duurzaamheidscriteria voor bij- en meestook (BMS) van biomassa in fossiele energiecentrales ontwikkeld. Die criteria beginnen gaan ervan uit dat iedereen zich aan de wet houdt en daarnaast veel extra aandacht schenkt aan duurzaam beheer van de bossen, behoud van biodiversiteit en andere sociale en technische beschermingsmaatregelen. Alle ketens van productie/transport/omzetting voor BMS worden consequent getoetst met deze duurzaamheidscriteria.

Voor kleinere bioketels bestaan geen uitgewerkte duurzaamheidscriteria, maar de Nederlandse landschap- en bosbeheerders doen aan duurzaam bosbeheer en leven regels na die erop toezien dat bij de biomassaproductie en -oogst op geen enkele manier verslechtering van het milieu, de biodiversiteit of de sociale structuur optreedt (Boswet, herplantverplichting). En de bio-energiesector doet zelf ook steeds meer om duurzaamheid te waarborgen. Denk hierbij aan innovatieve technieken, ketenbeheer en bedrijfsvoering met oog voor de toekomst. Bio-energieproducenten kunnen hun processen door een onafhankelijke certificeringsinstelling laten toetsen om de duurzaamheid van het bosbeheer te waarborgen. In vergelijking met omringende landen is Nederland koploper in de normen die worden gesteld aan de emissies van installaties5.

3. Hoe duur is bio-energie

Samenvatting: Fossiel is duur. Bio-energie is op vele plekken al succesvol zonder subsidie, maar komt nu nog beter tot uitvoering met subsidie.

Zolang het CO2-handelssysteem in Europe niet goed functioneert is subsidie voor duurzame energie nodig. Als de maatschappelijke en milieukosten voor de emissies van fossiele energie daaraan zouden worden toegerekend, zou de situatie anders zijn. Recente publicaties laten zien dat fossiele energie via diverse methoden van fiscale stimuleringsregelingen wordt bevoordeeld boven duurzame energie zoals bio-energie. Het IMF becijferde subsidies voor fossiele energie op 5.300 miljard dollar, zo’n 6,5 procent van het mondiale bruto binnenlands product.6 En toch kan bio-energie volgens een aantal studies7 nu al concurreren met fossiele brandstoffen. Duurzame warmtelevering met behulp van biomassa –collectief of in individuele woningen en gebouwen– is een relatief kosteneffectieve duurzame energieoptie. Een goede manier van verduurzaming als we weten dat warmte het grootste deel van de energiebehoefte inneemt.

Het verzamelen en opwerken van biomassa tot goed bruikbare brandstof is arbeidsintensief en creëert werkgelegenheid. In Nederland, volgens ramingen in het kader van het Energieakkoord, levert dit meer dan 3000 banen op. Er is dus sprake van directe én indirecte opbrengsten.

Biobrandstoffen geven ook nieuwe impulsen aan innovaties en investeringen. Ontwikkelingslanden krijgen nieuwe kansen en mogelijkheden door het benutten van oneetbare gedeelten van voedselgewassen of het telen van energiegewassen. Er zijn verschillende redenen om te verwachten dat (op termijn) verantwoord geproduceerde bio-energie steeds beter zal kunnen concurreren met verantwoord geproduceerde fossiele energiedragers. Ook omdat steeds meer consumenten en bedrijven een voorkeur hebben voor energie en materialen op basis van verantwoorde ketens en onafhankelijkheid van fossiele energie. Voorbeelden: De pyrolysefabriek in Hengelo8 en de biobrandstoffabriek in Emmetsburg, Iowa VS9.

4. Er is genoeg biomassa

Het interessante van biomassa is dat het weer kan bijgroeien, in tegenstelling tot onze voorraden fossiele energiedragers. De gedachtegang zou dan ook eerder moeten zijn: hoe gaan we er in de toekomst voor zorgen dat er voldoende biomassa blijft bijgroeien. Er is wereldwijd voorlopig voldoende biomassa voorhanden, zonder verdringing van voedselproductie en zonder grote indirect schadelijke verschuivingen in landgebruik10. Betere benutting van afval- en reststromen staat daarbij voorop. Hogere biomassa productie is mogelijk omdat er nog steeds landbouwareaal in Europa braak ligt, gesubsidieerd door de EU. Wanneer daarnaast efficiënt gebruik van land wordt gestimuleerd, wordt het potentieel nog groter.

Van het biomassapotentieel uit Nederlands bos en landschap wordt nog lang niet alles geoogst. Van hetgeen in Nederland wordt geoogst gaat de helft naar het buitenland, omdat daar het subsidiebeleid aantrekkelijker is en er dus een hogere prijs wordt geboden op de markt. Daarnaast is het vaak nog lastig om biomassa kostenefficiënt uit landschap en kleinere bosarealen te halen. Jaarlijks wordt uit bos zo’n 46% van de bijgroei geoogst. Het bosvolume in Nederland neemt dan ook steeds toe. Het landschap is erbij gebaat om een groot deel van de bijgroei te oogsten, zo worden landschapselementen in stand gehouden. Er bestaan uiteenlopende wetenschappelijk benaderde schattingen van de maximale beschikbaarheid van energie uit biomassa. Schattingen voor Nederland komen uit op 7 PJ aan input-energie uit bos, landschap en bebouwde omgeving. Dit kan tegen 2050 groeien naar 12,8 PJ. De meeste wereldwijde schattingen komen voor nu uit op 150.000 tot 400.000 PJ aan input-energie (1 PJ = 1 miljoen GJ, en 1 GJ is de energie-inhoud van zo’n 30 m3 aardgas). Als men dat vergelijkt met het huidige wereldwijde aanbod van ca. 550.000 PJ aan conventionele energie dan blijkt bio-energie theoretisch een groot deel van de energievraag te kunnen dekken11. Tegen 2050 kan het biomassa-aanbod verder groeien. In een vergelijkende studie van 28 rapporten komt de onderzoeksgroep van R. Slade uit op een sterk gespreide verdeling van de totaalschatting waarvan de meeste waarden tussen 200.000 en 1.000.000 PJ liggen12. IPCC schat de hoeveelheid duurzaam te produceren biomassa op 100.000 tot 300.000 PJ.

10 http://wwf.panda.org/
11 Zie bijvoorbeeld het PBL-rapport uit 2014 met link in voetnoot 17, hfst. 3 en 4 alsmede pagina 21.
12 Diagram uit R. Slade et al (2014) geciteerd in www.be-basic.org/news-center/news/scope-report-on-bioenergy-and-sustainability-bridging-the-gaps.html pagina 291. Op pagina 290 de getallen uit de volgende tekstzin.

5. CO2-uitstoot neemt af

Natuurlijk neemt die af! Als je er maar voor zorgt dat er steeds weer bijgroei is. In vergelijking met fossiele bronnen, die in korte tijd de CO2 uitstoten die miljoenen jaren geleden in planten is vastgelegd, is bio-energie altijd in het voordeel wat dit betreft. Indien jaar in jaar uit steeds het begroeide areaal minstens gelijk blijft en de bossen, houtwallen, akkers en grasoppervlakken goed worden onderhouden, is de CO2-emissie en de CO2-opname in balans. De emissie van een gehele biomassaketen van oogst tot energie kan niet nul zijn vanwege het transport van biomassa, het gebruik van machines voor de oogst en dergelijke (zie boodschap 7). Maar een afname van 70% of méér t.o.v. de fossiele referentiesituatie is vaak bereikbaar. Voor houtachtige stromen ligt een afname rond 95% binnen de mogelijkheden.Het staat vast dat, over een langere periode beschouwd, verantwoord geproduceerde bio-energie minder CO2 in de lucht brengt dan fossiele energie. Wel kan de absolute CO2-emissie van een ketel per MJ eindverbruik op enig moment hoger zijn wanneer die ketel met organische brandstof wordt bedreven in plaats van met gas (kolen heeft bij dezelfde energie-inhoud ongeveer tweemaal zoveel CO2-emissie als die van gas).Recent onderzoek geeft als indicatie dat bij midden- en grootschalige elektriciteitsproductie bio-energie direct 190 gram CO2 per kWh uitstoot; voor steenkolen is dat ca. 1000 gram, voor olie ca. 800 gram en voor aardgas ca. 550 gram. En gebruikmaking van de eerder genoemde geïntegreerde aanpak op basis van bioraffinage kan de CO2-balans wellicht nog verder verbeteren. Bovendien vormt bio-energie in combinatie met opvang en opslag van CO2 één van de weinige betaalbare manieren om CO2 uit de lucht weg te vangen; iets wat waarschijnlijk noodzakelijk zal zijn wanneer de gemiddelde temperatuurstijging op aarde in de buurt van 2°C komt en de temperatuur nog steeds blijft stijgen. Dit laatste is volgens IPCC bijna onvermijdelijk, al biedt het Akkoord van Parijs (COP21) hoop.

13 www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaamheid-vaste-biomassa; zie pagina 8 van rapportage III over het jaar 2014.
14 http://www.ipcc.ch/; zie ook voetnoot 17.

6. Bio-energie als basis van de biobased economy piramide

Samenvatting: Biomassa kan wegbereider zijn voor biobased economy en innovatie.Biomassa is grondstof voor alle toepassingen in de BBE-piramide; hieronder een plaatje uit een publicatie van het Ministerie van Economische Zaken, verantwoordelijk voor de biobased economy.Picture1Beconcurreren al deze toepassingen elkaar? Of nog sterker: verdringen de grootste en de kleinste schijven elkaar? Welnee, er is heel veel grondstof en de kleine schijven zijn voorlopig veel kleiner dan de grote (denk aan 5% t.o.v. 95%, voeding en veevoeder niet meegeteld).Er is terecht aandacht voor het richten van de inspanningen – vooral in onderzoek en ontwikkeling – op de meest hoogwaardige toepassingen. Wat is hoogwaardig? Men kan dat economisch of maatschappelijk of vanuit de politiek geaccepteerde duurzaamheids-doelstellingen benaderen. Niet alle toepassingen hoger in de cascadepiramide zijn hoogwaardiger of nuttiger dan bio-energie. Het nut van plastic zakjes is minstens zo omstreden als het nut van energie uit oogpunt van verspilling of vervuiling. Het zou te betreuren zijn als vervanging van fossiele grondstoffen door organische, bijvoorbeeld in bouwmaterialen, keihard moet gaan concurreren met bio-energie om dezelfde schaarse grondstoffen of om schaarse stimuleringsmiddelen. En uiteraard dienen de doelstellingen uit het Energieakkoord ook behaald te worden.Inzet van biomassa is voor de chemie de enige manier om volledig te verduurzamen. We moeten het dus omdraaien: we zoeken naar ketens die zowel voor de chemische industrie als voor de energievoorziening meerwaarde hebben. Coproductie kan voor alle betrokkenen lagere kosten en hogere opbrengst opleveren. Juist het grote volume van de bio-energiesector draagt bij aan de noodzakelijke investeringen zodat ook de andere echelons in de biobased economy kunnen beschikken over duurzame bestendige biomassastromen. Na scheiding van de biomassa in economisch hoogwaardige bestanddelen en een brandbare reststroom is de verwaarding optimaal. Om dit te stimuleren is het vooral zaak de inspanningen op het gebied van onderzoek en ontwikkeling op een hoog peil te houden c.q. te brengen. En vanuit de betrokken brancheorganisaties zijn er initiatieven om de fabricageprocessen (om van biomassa materialen én energie te maken) in kaart te brengen en de processen met de beste ‘business case’ uit te kiezen voor opschaling15.

7. Het transport van biomassa vergt ook energie

Samenvatting: transport van biomassa beperken heeft voorkeur. Transport van biomassa vergt niet meer energie dan transport van fossiele brandstoffen.

Inderdaad, en dat geldt ook voor fossiele energie. Uiteraard is het efficiënter om biomassa te gebruiken waar het beschikbaar komt, maar transport is nodig wanneer er onvoldoende eigen bronnen in de buurt zijn. Dat is zeker ook voor bijvoorbeeld olie en diervoer het geval. Om CO2-emissies te vermijden is het wel zaak om zeker te weten dat het transport niet het CO2-voordeel teniet doet. Trein- en scheepstransporten zijn zeer efficiënt in termen van kosten en energieverbruik per ton vervoerde houtpellets en hebben een relatief lage CO2-uitstoot. Berekeningen (bijvoorbeeld met de Biograce tool16) laten zien dat ondanks het transport naar Europa de CO2-reductie van Noord Amerikaanse houtpellets in Europese kolencentrales nog altijd circa 70% tot 90% is. Logistieke verbetering door ervoor te zorgen dat er bijvoorbeeld geen vrachtwagens of schepen leeg retour gaan, kan de doelmatigheid nog verder bevorderen. Bij vervanging van gewone transportbrandstof door biobrandstof is de reductie 75% tot 95%17.

16 http://biograce.net/content/abouthebiograceproject/about_the_biograce_project
17 www.pbl.nl/sites/default/files/cms/publicaties/pbl-2014-houtachtige-biomassa-voor-bio-energie-co2-effecten-en-technische-ontwikkelingen_1278.pdf; PBL schrijft hierin ook: “Technisch is het mogelijk om onder het klimaatdoel van 80 procent emissiereductie uit te komen, maar dit is alleen mogelijk als er voldoende biomassa beschikbaar komt voor Nederland. Bij een aanbod van 350 petajoule biomassa op jaarbasis is 80 procent emissiereductie het maximaal haalbare.”

8. Wat doet het gebruik van biomassa met de bodemkwaliteit

Samenvatting: Het toepassen van compost in de natuur kan verbetering van grond teweeg brengen. Zorgvuldig bos- en landschapsbeheer is van belang.

Bij voedselproducerende landbouw blijven na de oogst resten van de stengels en wortels vaak (deels) achter, waardoor nutriënten kunnen terugkeren in de bodem. De achtergebleven biomassa zorgt voor een betere bodemvruchtbaarheid en vergroot het vermogen van de bodem om water en nutriënten vast te houden. Voor tweede-generatie bio-ethanol productie en voor biodieselproductie gebruikt men plantenresten (stengels en bladeren) en blijft er minder organisch materiaal achter, wat een risico op bodemverarming en degradatie met zich meebrengt. Deze bodemverarming kan op zichzelf weer gevolgen hebben voor de productiviteit van de bodem voor voedselgewassen. Verarming kan men tegengaan door een deel van de resten te laten liggen, wat bijvoorbeeld gebeurt in geval van de nieuwe biobrandstoffabriek van DSM-POET in de VS waar maximaal 50% van de residuen ingezet worden. Ook het terugbrengen van de as van biomassaverbranding op of in het land, mits daarin geen vervuilingsresten zitten, helpt de nutriëntenrijkdom op peil te houden. Dit zijn gangbare praktijken in de VS, Brazilië en Zweden18. Ook in NL zou het goed zijn om dit toe te passen19.

Als as van een houtverbrandingsinstallatie vervuild is doordat het hout bijvoorbeeld geverfd was of verbrand is samen met steenkolen, dan kan deze as niet zonder meer in de bodem worden teruggebracht. Dan is er vaak toepassing in beton- of wegenbouw, waarmee de mineralen geruime tijd buiten de kringlopen blijven. In productiebossen die hout leveren aan de bouw, de meubelindustrie, de papierindustrie en deels de elektriciteitsvoorziening zijn er ook andere methoden om de bodem vruchtbaar te houden. In de duurzaamheidscriteria die in Nederland voor centrales zijn afgesproken, en ook bijvoorbeeld in de norm NTA808020, mag de productie van biomassa niet ten koste gaan van de bodemkwaliteit. Als biomassa onder dit keurmerk is geleverd dan mag de gebruiker ervan uitgaan dat de bodem niet verarmd is door de productie van de bio-energie. Tevens bepalen deze eisen dat de biodiversiteit ter plaatse (d.i. de soortenrijkdom aan planten en dieren) is beschermd.

9. Bio-energie lijkt ouderwets

Er moet onderscheid gemaakt worden tussen traditioneel gebruik van biomassa en moderne toepassingen van biomassa. Met het eerste wordt bijvoorbeeld het koken op sprokkelhout bedoeld dat nog op grote schaal in arme landen plaatsvindt met alle nadelen die daarmee gepaard gaan. Met moderne toepassing van biomassa wordt het gebruik van biomassa in energiecentrales, warmteketels of bioraffinaderijen bedoeld of voor toepassing in de andere sectoren van de biobased economy. In Nederland vindt veel innovatie plaats bij bedrijven als DSM, ECN en BTG en er zijn ongekende ontwikkelingsmogelijkheden met kansen voor de Nederlandse economie. Voorbeelden liggen op het gebied van torrefactie (biokool), pyrolyse, raffinage, algenkweek, enzymatische omzetting, vergisting, vergassing en ketenbeheer (havens, logistiek).

Belangrijke innovaties beginnen zichtbaar te worden bij het onttrekken van waardevolle componenten aan die grondstoffen voor nuttige chemische producten. De recente opening van de door DSM ontwikkelde installatie die maisresten omzet in ethanol is een sprekend voorbeeld van innovatie waarbij reststromen omgezet worden in een waardevolle niet-fossiele energiedrager21. De resterende fractie kan dan nog prima worden verbrand, wellicht nog goedkoper ook. Zo kunnen de biomassaketens nog betrouwbaarder en doelmatiger worden, terwijl ze op relatief korte termijn bijdragen aan het bereiken van het gewenste percentage duurzame energie.

21 Project Liberty, www.poetdsm.com; zie ook de Onderzoeksagenda Biobased Economy 2015–2027 van TKI-BBE, pagina 21.

10. De concurrentie tussen biomassa en voedsel

Samenvatting: Meer en meer is er het besef dat het bij duurzaamheid niet alleen gaat om een specifiek gewas maar ook om duurzaam landgebruik, waarbij bijvoorbeeld wordt gewezen op de hoge indirecte milieukosten bij veehouderij. En op verandering in gebruik van grond, al dan niet door verdringing van traditionele akkerbouw door de verbouw van energiegewassen.

Plantaardig materiaal wordt van oudsher gebruikt als voedsel én materiaal voor mens en dier én ook als energiebron. Enkele jaren geleden, toen er in allerlei landen een piek was in de voedselprijzen, ontstond het ‘food-fuel debat’. Dit draait om de veronderstelde concurrentie van biobrandstoffen met voedselproductie. Inmiddels is gebleken dat de fluctuatie van de voedselprijzen veel minder sterk verband houdt met de productie van biobrandstoffen dan eerder door de FAO verondersteld werd. Het gebruik van bijvoorbeeld eetbare mais voor brandstof is onwenselijk als het lokaal tot een voedseltekort zou leiden en als daar geen flinke milieuwinst tegenover staat. Maar ‘het voedselprobleem’ is niet in de eerste plaats dat er te weinig voedsel voor iedereen zou zijn, maar dat de verdeling over landen en bevolkingsgroepen erg scheef is (er zijn meer mensen met overgewicht dan mensen met honger). En dat veel mensen te arm zijn om goed voedsel te kopen.

Het beleid in de EU en in Nederland en ook dat van de Nederlandse biobrandstof producenten legt de nadruk op het vergroten van het relatieve en absolute aandeel ‘tweede generatie’ grondstoffen: oneetbare voedselgewassen en resten van voedselgewassen die nu als afval worden beschouwd. Recente studies<sup>22</sup> laten zien dat verdringing ook kan worden voorkomen door gericht in te zetten op effectiever landgebruik en productiviteitsverhoging in bestaande landbouwgebieden. Zo is er genoeg productie mogelijk voor voedsel én bio-energie.

Natuurlijk kan lokaal het verdringen van land met voedselproductie grote gevolgen hebben voor de voedselzekerheid, maar het is een misverstand dat het gebruik van biogrondstoffen voor iets anders dan voedsel per definitie met voedselproductie concurreert. Denk hierbij ook aan het inzetten van landbouwgrond die tot nu toe moest worden ‘braak’ gelegd om voedseloverschotten te voorkomen (ook genoemd in boodschap 5). Of de inzet van zogenoemde wisselteelten, waar granen (om op te eten) en koolzaad (om bio-ethanol van te maken) elkaar afwisselen, die elkaar teelt-technisch ondersteunen.

De bio-energiesector zoekt steeds naar grondstoffen voor het maken van bio-energie die óf ongeschikt zijn voor menselijke consumptie, óf groeien op voorheen ongebruikt land, óf lokaal inkomen opleveren waarmee de voedselzekerheid toeneemt (of alle drie). Ook bij andere vormen van bio-energie dan biobrandstoffen geldt dit: zo is bij mestvergisting de trend om steeds minder mais aan de mest toe te voegen, monovergisting komt in de plaats van co-vergisting. Een ander voorbeeld: processen zijn in ontwikkeling om uit biomassa eerst bepaalde voedingsstoffen of grondstoffen voor medicijnen af te scheiden en het overblijvende deel voor bio-energie te gebruiken. Dat is de weg naar een economie die niet meer is gebaseerd op fossiele grondstoffen.

22 ‘Duurzame en hoogproductieve landbouw voor voedsel en grondstoffen’ – prof.dr.ir. Martin K. van Ittersum, prof.dr. Patricia Osseweijer, dr. P. Winnie Gerbens-Leenes, dr.ir. Maja A. Slingerland voor het ‘Food and nutrition security’ programma van FAO en EU (2015).

Interessante publicaties

Voor meer inhoudelijke informatie over de diverse vormen en toepassingen van bio-energie is informatie beschikbaar op de websites van de grote onderzoeksinstituten die overheidsopdrachten uitvoeren.

Naar de publicaties ›

Factsheets

Platform Bio-Energie geeft regelmatig factsheets uit over actuele onderwerpen. Heeft u hierop aanvullingen of heeft u suggesties voor nieuwe onderwerpen neemt u dan contact met ons op via E: info@platformbioenergie.nl of T: 085 – 0031 032.